Saskia Oudshoorn
Auteur

FRAGMENT UIT 'BUITEN SPEL'

 

Vicit vim Virtus

 

Dapperheid heeft het geweld overwonnen

 

Uit mijn ooghoek zag ik door mijn tranen heen opeens een donkere schim met hoge snelheid achter een auto vandaan komen rennen. De schaduw rende op ons af, in zijn vaart nam hij een snoekduik en trof Caruso met zijn schouder vol in zijn zij. De aanvaller slaakte een luide oerkreet en ik hoorde hoe de lucht bij Caruso uit zijn borstkast geperst werd door de impact van de klap.

Caruso had mijn broekband nog vast. Ik werd in de val meegenomen en belandde met een smak op het harde asfalt. Ik voelde hoe er een paar scherpe steentjes gaatjes in mijn knieschijven maakten. De twee rolden samen over de grond en voordat ik besefte wat er gebeurde, zat iemand bovenop Caruso en trof hem vol in zijn gezicht. De man haalde nog een keer met zijn andere vuist uit en ik hoorde zijn neus kraken onder het geweld. Hij haalde nog een paar keer driftig uit. Tegen deze onverwachte aanval had Caruso geen schijn van kans. Toen mijn redder zag dat Caruso niet meer bewoog rolde hij van hem af. Hevig hijgend zat hij op handen en voeten naast hem op de grond. Hij draaide zijn hoofd om en keek naar mijn aanvaller die daar stil lag met een straaltje bloed uit zijn neus. Zijn borstkas ging nog op en neer, hij had hem in ieder geval niet dood geslagen -  al had ik dat op dat moment niet erg gevonden.

 Ik draaide mijn hoofd richting mijn belager en bevond me plotseling weer in het krappe, broeierige kleedhokje in het zwembad van zoveel jaren geleden. Ik kon de zwemleraar weer zien liggen in het plasje bloed dat zich vanachter zijn schedel langzaam uitbreidde over de witte tegelvloer met de grijze voegen. De holle ogen wijd en doods geopend, naar het plafond gericht zonder wat te zien.  Zijn slappe lid als een kromme reuzegarnaal over zijn been. En ik zag mijn vader weer staan met zijn hangende schouders en gebalde vuisten met mijn roze plastic zwemtasje aan zijn voeten. Mijn maag keerde zich om en mijn avondeten vond een weg naar buiten, kletterde over mijn schoenen op de grond. Met langzame bewegingen veegde ik mijn mond met mijn mouw af.

Mijn redder zat een paar seconden bijna onbeweeglijk en stond toen moeizaam op. Hij klopte zijn handen af aan zijn broek en kwam op me aflopen. Ik werd met een krachtige beweging omhoog getrokken. Ik stond oog in oog met de boomlange gestalte en keek in een paar felblauwe ogen. Ogen die ik uit duizenden herkend zou hebben. 

‘Eef, ik…,’ begon hij en met een schok belandde ik weer in de realiteit. Althans, voor zover je daarvan kon spreken want het was een te veel om te begrijpen wat hier zich in een paar minuten had afgespeeld. Nog voordat hij zijn zin kon afmaken hoorden we een paar mannen luid roepend onze kant uit komen. Stephen keek snel naar de mannen en toen weer naar mij. Hij snelde weg, richting een Audi cabriolet die verder op het parkeerterrein stond. Tijdens het rennen ontgrendelde hij de sloten en liet zich snel en soepel in de auto zakken. Met slippende wielen verdween de auto het parkeerterrein af, de donkere nacht in.

In het donker zag ik iets liggen op straat en realiseerde dat het Stephens Yankees pet was. Ik gooide het petje op de voorstoel en probeerde met trillende handen mijn broek dicht te knopen. Caruso zouden ze wel vinden en weer oplappen maar ik kon hier geen seconde langer blijven. Ik startte de motor en zette de versnelling in zijn achteruit. Voorzichtig, om niet over Caruso heen te rijden, stak ik naar achteren en schakelde toen naar zijn één. Met een gillende motor en het metertje van het toerental diep in het rood, scheurde ik het terrein af.

In een waas reed ik terug naar het hotel en probeerde koortsachtig mijn brein te laten verwerken wat hier zich net had afgespeeld. Flarden van krampachtig verdrongen herinneringen van jaren geleden vochten met de misselijkmakende beelden van wat zich zojuist had afgespeeld. Zorgvuldig had ik met behulp van jarenlange therapie mijn herinneringen weggestopt en een manier gevonden om mijn leven weer enigszins op de rit te krijgen. Smoesjes werden verzonnen als mijn klasgenootjes vroeger gezellig naar het zwembad gingen en ik die middagen in de veilige armen van mijn moeder doorbracht. Relaties kapte ik af als iemand te dicht bij me kwam. En hier kwam die gore klootzak en brak in een paar minuten tijd mijn stevig opgebouwde muur af.

‘Godverdomme,‘ schreeuwde ik en bonkte met mijn hoofd en handen op het stuur. De pijn die als een dolksteek door mijn schedel schoot, herinnerde me eraan dat ik waarschijnlijk morgen een flinke blauwe plek of erger van de kopstoot op mijn voorhoofd zou hebben. Ik probeerde de gedachte wat er zou zijn gebeurd als Stephen er niet was geweest, niet toe te laten. Ik pakte zijn Yankees petje van de voorstoel en stopte het in het dashboardkastje.